Start
Redactie
Beemster Agenda
Nieuwsarchief
Foto-impressies
In gesprek met
Verenigingen
Gastenboek
Over de Bengel
Links
1616 - 2016 - Vier honderd jaar onderwijs in de Beemster
Mijmeren tijdens de Open Tuinendagen over Pieter Carelszn en Betje
Middenbeemster, 12 juni 2016
Open Tuinendag op 11 en 12 juni 2016! In de loop der jaren werden alle prachtige tuinen in de Beemster wel in een verslag op deze site genoemd. En altijd is het weer ontroerend te zien hoeveel zorg en tijd de eigenaren aan hun erf of tuin besteden.
Dit jaar wilde ik proberen mij voor te stellen hoe het leven in de Beemster vroeger moet zijn geweest. Zo ligt de tuin van Riet Tol op de plek van het voormalige 'kerkebuurtje', waar in 1616, op de kop af 400 jaar geleden, de eerste schoolmeester zich vestigde en de eerste Beemster school werd geopend. De andere tuin was die van Museum Betje Wolff, waar in de 18de eeuw de bekende domineesvrouw en schrijfster Elisabeth Wolff-Bekker woonde.
 
  Kerkenbuurtje
Jacobus Bouman beschrijft in zijn boek 'Bedijking, bloei en opkomst van de Beemster' dat in 1616, vier jaar na de droogmaking al hier en daar verscheidene houten woningen en tenten waren opgetrokken en dat zal zeker ook rond de kerk zijn gebeurd.
Nu, in 2016, liet Jan de Groot in het schuurtje foto's en tekeningen zien van Henk Tol. Daarop is getekend waar op dit kleine stukje grond wel een stuk of tien piepkleine huisjes stonden. Zo'n huisje had slechts één woonkamer met bedsteden en er was voor allen een gezamenlijk toilet, natuurlijk boven de sloot.
Er was ook een tekening van Jan de Groot zelf bij, die een schets maakte van de situatie van toen op deze plek. Op het perceeltje, hier met groen vakje aangegeven, was de plek waar de Peter Carelsz de eerste hoofdschool van de Beemster opende en wel tegen een rijkelijk tractement van 50 gulden per jaar. Op zich kreeg Pieter de ruimste woning toegewezen. De lessen moesten namelijk ook in de huiskamer worden gegeven.
De huisjes van het kerkebuurtje hebben daar overigens nog heel lang gestaan. Pas rond 1960 werden ze allemaal gesloopt. Het huisje van Pieter Claesz. was echter al eerder geslecht. (zie tekening hieronder)
 
  In mijn verbeelding had het kunnen gebeuren dat Pieter Carelszn in 1616 op een avond op een bankje voor zijn huisje zat. Hij hoorde hoe zijn buren druk bezig waren met het inrichten van hun huisjes. Het waren voornamelijk handwerkslieden, die zich hier vestigden zoals timmerlieden, metselaars, houtsnijders... Kortom allen die waren aangetrokken om te helpen bij de bouw van de kerk. In 1616 was al begonnen met het aanvoeren van de bouwmaterialen. Er moest in de nieuwe polder echter nog zo veel gedaan worden, dat werd besloten met de bouw een jaartje te wachten tot de marktpleinen waren opgehoogd en de sloten om de kerk verbreed.
Zicht op de kerk
Precies hier op deze schone plek met zijn rijke bloemenpracht moet die eerste schoolmeester van de Beemster hebben gewoond. Door een klein raampje vanuit zijn nieuwe huis zou Pieter Carelsz. zicht hebben op de bouw van de kerk die dus in 1617 van start ging.
In 1623 was de kerk gereed en werd op de derde zondag in juli feestelijk in gebruik genomen. De pas benoemde dominee Hendricus Huijsingius stelde vast, dat deze 'Beemster Biddag' in alle daarop volgende jaren herhaald zou worden en dat is tot op heden traditie gebleven.
 
  Pieter was nog een jongeman, geboren in 1598 als zoon van Ds. Carolus Petri. Deze kwam oorspronkelijk uit Gent. Toen deze stad in 1584 door de Spanjaarden werd ingenomen week hij uit naar de Noordelijke Nederlanden. Hij trouwde met Anna Jansdr. en vestigde zich als predikant in Purmerend. Vader Carolus wilde dat zijn zoon Pieter ook dominee zou worden, maar helaas was Purmerend geenszins van plan de kosten voor diens opleiding aan de z.g. Staten-collegie in Leiden te betalen. Er werd een mooi baantje voor hem gevonden in de pas drooggevallen polder: schoolmeester met zicht op een aanstelling als koster en voorzanger van de nieuw te bouwen kerk.
Boekenla, tevens schooltas
Aanvankelijk ging het natuurlijk om maar heel weinig leerlingen. De Beemster was een plek waar jonge gezinnen zich ook nog maar pas begonnen te vestigen. In het kleine, éénlokalige schooltje (in wezen de huiskamer) werd individueel lesgegeven.
De Beemster historicus G.Köhne schreef daarover: "De kinderen zaten op lage bankjes met hun houten boekenla op schoot. Het schuifdeksel van de boekenla was vaak voorzien van een fraaie versiering en de keerzijde vlak geschaafd om te dienen als lessenaar. Mooi schrijven werd bevorderd en daarvoor diende de inhoud van het groot A,B,C-boek, uiteraard met vele gebeden."
 
  "In de twaalf artikelen des geloofs werd dagelijks les gegeven en de tien geboden stonden op de dagelijke programma. De meester op zijn verhoogde zitplaats had alle attributen voor instructie en bestraffing, zoals pennemes en ganzeveder, plak en roede, schandbord en Spaanse rietjes”, londer handbereik" aldus Köhne.
Zo begon in Middenbeemster Pieter Carelsz dus zijn loopbaan als eerste schoolmeester van het eerste Beemster schooltje. Door de groei van het leerlingenaantal bleek de school echter al snel te klein en in 1620 werd door de familie van Oss een grotere woning aan de Oostzijde van de Middenweg in bruikleen toegewezen.
Tevens werd afgesproken dat daar eens in de 14 dagen een geloofsbijeenkomst moest worden gehouden door de predikanten Carolus Petri uit Purmerend, Adriaus Coop te Landsmeer, en de ouderlingen Claasz Dirksz. uit Purmerend en Cornelis Pietersz. uit Oosthuizen. De annalen vermelden niet precies waar de nieuwe school stond, maar het zou de plek kunnen zijn geweest waar jarenlang de kosterij is gevestigd. In 1630 werd het gebouw verkocht aan de kerk 'om voortdurend te kunnen blijven dienen tot school en kosterswoning'. Het huidige gebouw stamt uit 1874. Dit werd echter onlangs verkocht i.v.m. de bekostiging van de nieuwbouw bij de kerk.  
  Tijdens de Open Tuindagen in 2016 viel in de tuin van Riet Tol te genieten van al het fraais wat de natuur biedt. Daar zat bijvoorbeeld een groene sprinkhaan zich heerlijk te koesteren in de zon. Zo moet vier eeuwen daarvoor Pieter genoten kunnen hebben van de ontluikende Beemster, waar boeren al overal op de akkers aan het werk waren of vee lieten grazen.
Misschien dat hij het helemaal niet erg vond dat hij geen predikant mocht worden en was hij zeer tevreden met het leven dat hij in zijn bescheiden woninkje zou leiden. Het vooruitzicht dat hij ook koster en voorzanger zou worden, vervulde hem met vreugde.

In 1621 trouwde Pieter met Barbertje Barentsdr. van der Maes, de dochter van een Purmerendse chirurgijn. Uit dit huwelijk werden 11 kinderen geboren.
Barbertje kreeg al snel een betrekking als vroedvrouw aangeboden. Samen verdiende het echtpaar omstreeks 1640 een bedrag van ruim ƒ 1200 per jaar en voor die tijd konden ze er aardig mee rond komen.
Hoe Pieter er heeft uitgezien? Hoewel zijn zonen Carel, Barent en Johannes resp. geboren in 1622, 1624 en (1636) getalenteerde schilders waren, heeft geen van drieën hun vader in een portret vereeuwigd. Misschien dat dit zelfportret uit 1660 van Barent trekken van zijn vader verraadt.

 

(bezit: Städelsches Kunstinstitut Frankfurt a/Main)

  Fabritius
Pieter Carelsz. zong graag en een voorzanger was in die tijd hard nodig om de het kerkvolk in de eredienst min of meer in het gareel te houden. Als psalmen werden aangeheven was er namelijk geen orgel om de zang te begeleiden.
Schilderen was iets, dat Pieter graag deed en hij kreeg van het kerkbestuur, toestemming om daar een paar uur mee bezig te zijn. Helaas is van zijn hand maar één schilderij bekend: dat van de kerk.
Maar Pieter was ongelofelijk trots op zijn zonen Carel (1624-1654), Barent (1623-1674) en Johannes (1636-1693). Hoewel ze werden opgeleid tot timmerman bleken ze het talent van hun vader te hebben geërfd. Carel en Barent waren zelfs zo goed, dat beiden leerling van de beroemde schilder Rembrandt mochten worden. Johannes kreeg weer les van Barent. Ze hebben prachtige schilderijen gemaakt, die in vele grote musea een plekje hebben gevonden. Naar hun vak vernoemden ze zichzelf: 'Fabritius', de Latijnse naam voor timmerman en vader Pieter nam die naam over.
Pieter Carelsz. Fabritius overleed in 1653 op 55-jarige leeftijd.

Pastorietuin
In 1623 kreeg de koster van de kerk nieuwe buren. Ds. Hendricus Huijsingius vestigde zich op de plek waar nu Museum Betje Wolff is.
Van de bijzondere tuin van Riet Tol is het slechts een overstapje naar die van de buren: museum Betje Wolff. De vrijwillige tuinmannen Paul en Piet zorgen er voor dat deze tuin netjes wordt onderhouden in de stijl van de tijd waarin de domineesvrouw en schrijfster Elisabeth Wolff-Bekker hier woonde. (1759-1777). Tuinman Paul poseert hier voor de nieuw aangeplante rozenstruiken in een warme geel-oranje tint.

 
 

Ook het bijhouden van de kruidentuin vol gewone en bijzondere kruiden behoort bij de taak van beide tuinlieden. Er staan kruiden voor de bereiding van gerechten, maar ook die waaraan geneeskrachtige werking wordt toegeschreven.

Een waar schilderijtje
Dit tafereeltje, gekiekt tijdens de Open Tunendag in 2016 zou zo ook geschilderd kunnen zijn in plm. 1750. Zo is het echt niet zo moeilijk je voor te stellen hoe Betje indertijd in haar kruidentuintje bezig was.
In wezen is dit Aafje de Jong, voorzitter van het Museum Betje Wolff in historische kledij.

  • Bronnen: H.F.Wijnman, Bibliotheek der Nederlandse letteren.
  • J.Bouman: Bedijking, Opkomst en Bloei van de Beemster
 

 

Erny