Start
Redactie
Beemster Agenda
Nieuwsarchief
Foto-impressies
In gesprek met
Verenigingen
Gastenboek
Over de Bengel
Links
De geschiedenis van de Beemster Bengel

Beemster, augustus 2003

Deze site ontleent zijn naam aan de klok, die in opdracht van het allereerste gemeentebestuur van de Beemster werd opgehangen in het speciaal daarvoor gebouwde torentje op het dak van het Heerenhuis in Middenbeemster.
Deze klok, die in de volksmond 'Beemster Bengel' werd genoemd, werd geluid als er marktberichten of nieuwtjes waren. Dan spoedden Beemsterlingen zich richting "De Buurt".
In die tijd waren er immers nog geen kranten. Die verschenen pas omstreeks 1900.
Deze digitale 'Beemster Bengel' is dus genoemd naar die 19de eeuwse nieuwsaankondiger



Verzet tegen de Municipalité
In de Beemster werd in die tijd openlijk en ondergronds veel verzet geboden tegen de nieuwe Municipalité. Vooral de strubbelingen over het gemeenschappelijk gebruik van de consistoriekamer van de kerk door zowel de dominée als de leden van de municipalité was een bron van treiterij en ergernis: een soort 'Dad's Army', de TV-serie over WOII, waar de oude 'thuisfronters' en de geestelijkheid de ruimte moesten delen in de kerk.
De toren, die in eigendom kwam van de gemeente en het gebruik van de klok speelde daarbij een belangrijke rol. De ruzie werd tenslotte na veel strijd opgelost door de vergaderingen van de municipalité voortaan in het logement, Het Heerenhuis, te gaan houden.
Op het dak van het Heerenhuis werd in 1801 een torentje gebouwd, waarin een klok werd opgehangen, de Beemster Bengel, die zorgde voor de gemeentelijke communicatie.

Van een Heerenhuis tot een gemeentehuis
Ter verduidelijking van het bovenstaande: Beemster had in die tijd geen gemeente- of stadhuis. Beemster werd namelijk vanaf de droogmaking bestuurd door de Dijkgraaf van de Beemster en die hield zijn vergaderingen altijd in Purmerend. Overigens kreeg Beemster pas in 1993 een echt eigen gemeentehuis. Daarvoor had het gemeentelijk bestuur zich nog steeds moeten getroosten met Het Heerenhuis als vergaderzaal en een hulpsecretarie.
Het verhaal rond de Beemster Bengel van bijna twee honderd jaar geleden is het vertellen waard. In zijn boek "Van 'n Heerenhuis als gemeentehuis' beschrijft N.Th. van der Lee wat er zich in de woelige tijd van de Bataafse Republiek (1795-1813) in de Beemster afspeelde.

Leden van een gildBestuurslGouden eeuw
De 'Gouden Eeuw' duurde tot ongeveer 1650. Er was sprake van grote bloei van de scheepvaart, handel en nijverheid, Daarop volgde echter een langdurige periode van recessie zowel op economisch, maatschappelijk en zedelijk gebied. Kostbaar waren de oorlogen tegen Spanje, Engeland en Frankrijk en door de slechte prijzen voor agrarische producten werd op het platteland bittere armoede geleden. In de steden was het al niet veel beter. De gilden waren oppermachtig. Zij blokkeerden elke economische ontwikkeling. Zo protesteerde het houtzagersgilde fel tegen de bouw van de houtzaagmolens in Zaanstad. Gebrek aan initiatieven veroorzaakte een enorme teruggang in de economie tot ver in de 18de eeuw.

Willem VPatriotten en Oranjegezinden
De heersende regentenfamilies hielden angstvallig alle macht in handen met als gevolg: grote ontevredenheid en een toenemend verzet tegen de regenten en stadhouder Willem V. Dat leidde zelfs tot een splitsing onder de bevolking in Patriotten (gegoede burgerij) en Oranjegezinden (kleine burgers).
In 1789 mislukte de oogst in grote delen van West Europa. Zowel in de steden als op het platteland werd honger geleden en in Frankrijk brak de Revolutie uit. In Nederland werd het gemor van de patriotten ook steeds luider. In januari 1795 vluchtte Stadhouder Willem V naar Engeland. Zijn vertrek luidde het begin van de Bataafse Republiek in.


Veranderingen
kansel Hervormde Kerk Middenbeemstter
Onder Franse invloed vonden in Nederland grote veranderingen plaats op bestuurlijk, maatschappelijk en kerkelijk-godsdienstig gebied. De kreet: ‘Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap’ en de democratische gedachten stonden hoog in het vaandel.
Uiteraard hadden deze gebeurtenissen ook voor de Beemster grote gevolgen. Vooral het begrip ‘gelijkheid’ vond hier gretig weerklank. Om de hoge heren op gelijke hoogte met het gewone volk te laten zitten, werd meteen enthousiast de zaag gezet in de herenbanken van de kerk.
Er werd een Comité Revolutionair opgericht, bestaande uit de heren Jacob Hartog, Cornelis Gleinis, Dirk de Boer en Huibert Velseboer, die voorlopig het bestuur van de Beemster op zich namen met assistentie van Hendrik Duijn, een uitgewezen Zaandammer. Deze had zich aangesloten bij de Franse troepen van generaal Daendels, waar hij het tot adjudantgeneraal had geschopt.

Orgel Hervormde Kerk MiddenbeemsterNieuwe functionarissen
Op 3 maart 1795 luidden de klokken en het orgel werd plechtig bespeeld ter gelegenheid van de eerste bijeenkomst van het Comité Revolutionair in de kerk van Middenbeemster. Onbeschaamd beklom adjudantgeneraal Duijn de spreekstoel om daar officieel de omwenteling af te kondigen.
Een van de eerste besluiten was het ontheffen van alle functionarissen. De Dijkgraaf, de opziener van de watermolens, de koster en de schoolmeester werden ontheven van hun taak en moesten plaats maken voor patriotten. Het Dijkcollege bleef in functie waar het betrof de waterschapszaken. August Duijvenszoon, de secretaris van het Dijkcollege genoot het volle vertrouwen en mocht aanblijven.

Eed op de rechten van de Mens
Ook Beemster katholieken mochten voor het eerst in de geschiedenis deelnemen aan het bestuur. Op 16 maart 1795 legden Johannes Koffers, pastoor van Westbeemster en Jan Hartog, dominee van de Doopsgezinden en vier schoolmeesters de ‘Eed op de Rechten van de mens’ af, een verklaring van trouw aan het nieuwe bestuur. Dominee Ernst van de Gereformeerde Kerk was bij deze plechtigheid de grote afwezige.

En toen was er feest!
Op 19 mei 1795 werd in Middenbeemster een groot volksfeest gehouden om de bevrijding van het gehate regentendom te vieren. De in 1616 geplante lindeboom op het kruispunt in Middenbeemster diende als Vrijheidsboom en werd prachtig versierd. Met veel klokgelui, exercities op het marktveld, zang en dans om de vrijheidsboom en op het Landje werd de dag besloten met een feestelijke maaltijd in Het Heerenhuis.

Franse inkwartieringInkwartiering
De vreugde over de revolutie verkoelde echter al snel toen bleek hoe kostbaar die voor Nederland uitpakte. Franse militairen moesten worden ingekwartierd, gekleed en gevoed.
Vee, paarden en wagens werden gevorderd en bovendien werden hoge belastingen geheven.

Ons land, waar toch al geen sprake meer was van overvloed, werd in de Franse bezettingstijd nog verder uitgezogen.

De druppel, die de emmer deed overlopen
Dominee Ernst en de kerkenraad hadden het beklimmen van de preekstoel door het Comité Revolutionair met afgrijzen aangezien. Het was de aanleiding tot een langdurige strijd, zeker toen de nieuwe bestuurders in de fout gingen met het gebruik van hun pas verworven democratische rechten. Waar de kerk tot die tijd de dienst in de Beemster had uitgemaakt, werden -tegen alle bestaande tradities- door de nieuwe gemeentebestuurders de burgers Cornelis Glijnis en Willem Vet als kerkmeesters van de Gereformeerde Gemeente aangesteld. Het onteigenen van alle kerkelijke goederen en fondsen van de Gereformeerde Gemeente was de druppel die de emmer deed overlopen.

De familie Ruijter
De familie Ruijter was sinds mensenheugenis in de Beemster een bekende schoolmeesters-, kosters- en voorzangersfamilie. Ze hielden bovendien het begrafenisregister van de Beemster vanaf 1683 bij.
Het nieuwe gemeentebestuur ontsloeg in 1795 Dirk Ruijter uit zijn functie als koster/voorzanger, klokkenluider en gemeente-ijkmeester. Dit werd als een grote belediging gevoeld.
De enige functie die Ruijter mocht behouden, was die van schoolmeester. Het huis waarin hij woonde was eigendom van de kerk en daarom kon hij daar blijven wonen.
(Er was trouwens nog een schooltje in Middenbeemster, waar Tijmen Edel schoolmeester was).



Vergaderen

In 1796 werden verkiezingen voor een nieuw Dijkcollege uitgeschreven. Alle ingelanden werden opgeroepen, maar omdat Beemster in die tijd geen gemeentehuis rijk was bleek er geen geschikte plek om die verkiezingen tehouden. Het College van Dijkgraaf en Heemraden vond voorheen altijd plaats in Purmerend, maar daar voelde de Municipaliteit helemaal niets voor. Men vond dat de kerk daar dan maar voor moest worden gebruikt. Voor het gemak werd aangenomen dat de kerkenraad daartegen geen enkel bezwaar zou aantekenen. De kerkenraad bleek zeer ontstemd over de arrogante toon, waarop de vergadering werd aangekondigd en was woest over de vernedering. Dreigementen, dat bij weigering strenge maatregelen genomen zouden worden, deden de Kerkenraad enigszins inbinden.

Voor de rechter
Maar ze lieten het er niet bij zitten. Bij de procureur werd door leden van de Gereformeerde Kerk een verzoek ingediend om teruggave van kerkelijke goederen en het ongedaan maken van de benoeming van de twee kerkmeesters. Het verzoek leidde er toe, dat de benoeming van de twee kerkmeesters ongedaan moest worden gemaakt, maar verder luidde de boodschap dat voorlopig alles bij het oude moest blijven.
Omdat de Municipaliteit door de Procureur toch op zijn nummer gezet was, durfde dominee Ernst -waar het ook maar enigszins mogelijk was- resoluut te weigeren de kerk beschikbaar te stellen.. Zo werd het nieuwe gemeentebestuur, dat kennelijk toch erg afhankelijk bleef van de Gereformeerde Gemeente door de dominee tegengewerkt.

De functie van de toren en de klok
De consistoriekamer in de toren van de kerk van Middenbeemster vervulde altijd al een belangrijke functie bij de rechtspraak.
De vonnissen van de hoge en lage Vierschaar, die in Purmerend werden gehouden werden hier bekend gemaakt, aangeplakt en uitgevoerd.
Het nieuwe bestuur van de Beemster vond deze kamer ook uitermate geschikt voor rechtszittingen, die nu in de Beemster zelf gehouden zouden worden.
De klok in de toren had indertijd een maatschappelijke taak als communicatiemiddel. Niet alleen werden alle godsdienstoefeningen aangekondigd, maar ook bij huwelijksaankondigingen, overlijden of begrafenissen.
Ook voor de bekendmaking van nieuwe keuren en resoluties, brand, storm, overstromings- of oorlogsgevaar werden de burgers gewaarschuwd door het luiden van de noodklok. Bij de rechtspraak werd het vonnis bekrachtigd met een slag van de klok tegen de klepel.

De kerken gekneveld
In augustus 1796 werd officieel de scheiding tussen kerk en staat uitgeroepen en bestond er dus geen heersende staatsgodsdienst meer.
Alle godsdiensten kregen gelijke rechten en de kerk werd aan banden gelegd. De regels gingen zelfs zover, dat de klok niet meer mocht worden geluid voor het aankondigen van godsdienstoefeningen.
Voor de RK kerk in Westbeemster en de Doopsgezinde kerk, die toch al geen torenklok hadden, maakte dat geen verschil uit, maar voor de Gereformeerde gemeente werd dat als een pijnlijk gemis gevoeld.

Verzet
Het gemeentebestuur bleek met deze maatregel deGereformeerden behoorlijk tegen de haren te hebben ingestreken en dominee Ernst steldezich op in het verzet tegen het burgerlijk bestuur. Hij was het absoluut niet eens met de door het gemeentebestuur voorgestelde voorrangsregeling voor het gebruik van de kerkenkamer.
De gemeenteraad ging tenslotte door de knieën door toe te geven dat de vergaderingen van de kerk toch altijd voorrang moesten krijgen boven raadsvergaderingen en dat de kerkenkamer nooit gebruikt zou mogen worden als wachtlokaal voor de militie. Dat kerkgangers belemmerd werden bij het parkeren van hun paard en wagen op de marktpleinen en de stukjes land bij de scholen werd echter ontkend.


Sleutel zoek!
Hoewel de kerkenraad schijnbaar meewerkte, zocht deze -met dominee. Ernst voorop- naar iedere mogelijkheid om passief verzet te plegen. Zo meldde gerechtsbode Aris Visser voor aanvang van de raadsvergadering van 6 april 1797 dat hij, toen hij aan Tijmen Edel de sleutels van de consistoriekamer vroeg, deze kennelijk de opdracht had gekregen ze niet af te geven.

Beslaglegging
Het kon niet bij plaagstoten en verbaal geweld blijven. Op 15 februari 1798 barstte bom. Dominee Ernst weigerde pertinent zijn belastingaanslag ten bedrage van 26 gulden te betalen! Ook niet na een dwangbevel. Dominee en zijn vrouw wilden bovendien geen goederen voor beslaglegging aanwijzen. De deurwaarder nam daarop het in de stal van Het Heerenhuis staande koetsje van de dominee in beslag om die bij executie te verkopen.
Op 8 maart 1798 werd de openbare verkoop bij Pieter van Hem in café Het Bonte Paard gehouden. De leden van de municipaliteit hadden echter niet het lef om meer te bieden dan een Kerkenraadslid. Zo bracht de koets, inclusief twee kussens, slechts honderd gulden op en bleef de schande dat een tegenstander 's zondags met de domineeskoets naar de kerk zou komen Ernst gelukkig bespaard.
De belastingaanslag van 26 gulden kon nu echter worden betaald. Na aftrek van vijftig gulden en dertien cent voor gerechtskosten resteerde er nog een bedrag van 22 gulden en 17 cent. De dominee voelde zich 'op een geweldadige wijze aangerand in zijn goederen’ en dacht er serieus over om de Beemster te verlaten. Door het taaie verzet van de kerkenraad en de dominee liep de superioriteit van de municipale overheid natuurlijk wel een flinke deuk op.

Vergaderingen in Het Heerenhuis
Steeds sterker liet het gebrek aan een plek om zonder ruzie te vergaderen zich gelden. De vergaderzaal in van Het Heerenhuis bleek de oplossing en op 13 juni 1799 werd daar voor het eerst vergaderd. Een van de agendapunten was de brief van de kerkenraad, waarin stond, dat door het Departement was beslist, dat de toren als onvervreemdbaar eigendom van de Gereformeerde gemeente diende te worden beschouwd. Op grond daarvan konden geen vergaderingen van de Municipaliteit meer in de kerkenkamer worden gehouden. Ook werd restitutie geëist van geldelijke opbrengsten van de toren en herstel van de functie van Ruijter als klokkenluider en ijkmeester.
De Municipaliteit gaf daarop te kennen niets af te weten van enige verordening van de zijde van het Departement en bleef volharden in de handhaving van de bestaande situatie. Edel bleef in functie en Ruijter kreeg zijn baantje niet terug. Ook het probleem met betrekking tot bekendmakingen werd besproken. Vanaf de droogmaking was de klok van de kerktoren daarvoor altijd gebruikt. Ook het schavot werd opgericht voor de poort van de kerk.

Het Heerenhuis
In de vergadering van 13 juni 1799 werd voorgesteld om Het Heerenhuis gedurende 30 jaar in huurkoop te nemen. Aan het eind van die periode zou de eigenaar verplicht zijn Het Heerenhuis over te dragen aan de Municipaliteit. De herberg kon tevens dienst doen als rechthuis en school. Bovendien was er gelegenheid om er een waag in te maken waarop de 'Joode' kaas en varkens konden worden gewogen. (Joode kaas was bereid volgens de voorschriften van de Joodse wet).
Besloten werd om de volgende dag bij notaris in Purmerend langs te gaan om een huurkoopcontract op te stellen. De huur ging in mei 1807 in en eindigde op 30 april 1830, tegen een huur van 100 gulden per jaar. Het leek een koopje, maar na het afsluiten van de huurkoopovereenkomst kwam de municipaliteit er echter al spoedig achter, dat ze een slechte koop had gedaan. Het Heerenhuis verkeerde in een deplorabele staat.

Brandmerken
Natuurlijk volgde dominee Ernst de ontwikkelingen rond het Heerenhuis met argusogen en liet in oktober 1800 weer eens van zich horen. Hij merkte namelijk fijntjes op dat, waar de gemeente nu immers zelf over een 'bekwaam' gemeentehuis beschikte, het gemeentebestuur vriendelijk werd verzocht het materiaal dat in een loods op het kerkhof was opgeslagen, in het vervolg zelf te bewaren. Het betrof onder meer marktpalen, die tijdens de veemarkten werden gebruikt om het vee aan vast te zetten. Ook voor opslag van het schavot, het brandijzer en de vuurpot, die gebruikt werden bij ernstige vergrijpen, wilde de kerk niet langer zorg dragen. (Met een brandijzer werd dan op de rechterschouder van de veroordeelde een merk ingebrand. Iedere gemeente had een eigen brandmerk. In 1854 werd deze lijfstraf afgeschaft). Het verzoek van dominee. Ernst werd door de Municipaliteit niet ontvankelijk verklaard .

School in Het Heerenhuis
In die tijd waren dus twee scholen gevestigd in Middenbeemster. Beide waren eigendom van en werden beheerd door de gereformeerde gemeente. D.Ruijter was schoolmeester in het schoolhuis naast het marktplein bij de kerk en Tijmen Edel had aan de Rijperweg een schooltje voor interne leerlingen. In 1798 bedankte Ruijter als schoolmeester, maar hij bleef wel in het schoolhuis wonen. Om dwars te kunnen liggen, had de kerkenraad hier geen enkel bezwaar tegen, zodat de gemeente niet over de woning kon beschikken.

Bestuurlijke chaos
In 1799 heerste door de steeds maar nieuwe wetten en decreten een grote bestuurlijke chaos. Dominee Ernst weigerde nog steeds elke medewerking. De raad en het comité van justitie vergaderden in Het Huijs der Gemeente, zoals Het Heerenhuis weer met enige trots werd genoemd. Er werd recht gesproken in Het Heerenhuis en het schavot werd opgericht op het bestrate gedeelte voor de herberg. De gelagkamer diende voor de bekendmakingen en de huwelijksaankondigingen.

Beemster Bengel
Alleen de klok werd heel erg gemist. Daarom werd besloten om op het Heerenhuis een torentje te bouwen, waarin een klokje of bengel kon worden gehangen. De Beemster Kroniek vermeldt daar over het volgende op 12 juni 1801:

Voor aan het huis der gemeente op het dak maakt men een stellage om er een klok of bengel in te hangen Deze wordt vandaag voor het eerst gebruikt voor het aflezen van de geboden. Het gebouw, waarin de Bengel hangt is een vierkant gebouw. Van voren verciert met een franse spies; ook is op dat vierkant een soort van spits geplaatst, niet ongelijk aan die, welke men zo hier en daar aan de Zaan op de schoorsteenen aanschouwen kan'.

De ingebruikname van de klok werd door de Municipalité als een overwinning op dominee Ernst beschouwd.

Hoe het verder ging
Eind mei 1802 vertrok dominee. Ernst en de nieuwe bewindhebbers haalden opgelucht adem: eindelijk waren ze van zijn plagerijen verlost. Maar de nieuwberoepen dominee Bonte trad in het spoor van zijn voorganger. Zo gaf hij Tijmen Edel meteen opdracht om weer de godsdienstoefeningen met klokgelui aan te kondigen, waarop meteen een brief aan de kerkenraad werd gericht met de sommatie het luiden onmiddellijk te stoppen.

Ruijter in eer hersteld

Om gezondheidsredenen verzocht Tijmen Edel 1 november 1806 om ontslag als koster, voorzanger doodgraver en klokkenluider. De kerkenraad herstelde Dirk Ruijter in de functies die hem in 1795 waren ontnomen.

Torentje gesloopt in 1948
De Beemster Bengel was dus vanaf 1801 het middel om burgers te doen weten dat er nieuws was. 'Beurzen bij de Bengel’ werd een begrip en van de gelegenheid van samenkomst werd natuurlijk gebruik gemaakt van de voorzieningen die Het Heerenhuis bood. Tevens konden daar zaken worden gedaan. Toen omstreeks 1900 kranten de bIn het torentje op de kapel hangt thans de Beemster Bengelerichtgeving van de dorpsomroeper overnamen, werd de Beemster Bengel alleen nog gebruikt tijdens de Beemster Feestweek. Op vrijdagochtend, klokslag tien, werden onder toezicht van de politie de staanplaatsen voor de kramen verloot. Na WOII werd echter geen gebeier van de klok meer gehoord. Het torentje verkeerde in een zo'n slechte staat, dat het in 1948 werd gesloopt.

De Bengel werd bewaard tot in Zuidoostbeemster een Kapel werd gebouwd. Architect C. Bos zorgde er voor dat de klok hier een nieuwe bestemming kreeg. Het kerkbestuur was blij met het aanbod van de gemeente Beemster om de 'wereldlijke' bengel voor kerkelijke aangelegenheden te mogen gebruiken. De Bengel kreeg een plekje in het torentje van de kapel en daar laat dit inmiddels twee honderd jaar oude klokje nog steeds van zich horen.